Informatie over het woord ontslaan (Nederlands → Esperanto: sendevigi)

Uitspraak/ɔntˈslan/
Afbrekingont·slaan
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) ontsla(ik) ontsloeg
(jij) ontslaat(jij) ontsloeg
(hij) ontslaat(hij) ontsloeg
(wij) ontslaan(wij) ontsloegen
(gij) ontslaat(gij) ontsloegt
(zij) ontslaan(zij) ontsloegen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) ontsla(dat ik) ontsloege
(dat jij) ontsla(dat jij) ontsloege
(dat hij) ontsla(dat hij) ontsloege
(dat wij) ontslaan(dat wij) ontsloegen
(dat gij) ontslaat(dat gij) ontsloeget
(dat zij) ontslaan(dat zij) ontsloegen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
ontslaontslaat
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
ontslaand, ontslaande(hebben) ontslagen

Vertalingen

Engelsexempt
Esperantosendevigi
Fransdispenser; exempter