Informatie over het woord springen (Nederlands → Esperanto: salti)

Uitspraak/ˈsprɪŋə(n)/
Afbrekingsprin·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) spring(ik) sprong
(jij) springt(jij) sprong
(hij) springt(hij) sprong
(wij) springen(wij) sprongen
(gij) springt(gij) sprongt
(zij) springen(zij) sprongen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) springe(dat ik) spronge
(dat jij) springe(dat jij) spronge
(dat hij) springe(dat hij) spronge
(dat wij) springen(dat wij) sprongen
(dat gij) springet(dat gij) spronget
(dat zij) springen(dat zij) sprongen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
springspringt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
springend, springende(hebben/zijn) gesprongen

Voorbeelden van gebruik

Opeens zag hij twee mannen die op gereedstaande paarden sprongen.
Ik sprong dus de struiken in.
Van steen tot steen springend bereikte hij ten slotte via de afgebrokkelde bovenkant van een andere muur een nog intact stuk, vanwaar hij over de straat kon uitkijken.
Was ik maar uit de schaduw van die ellendige struiken, dan kon ik iedere dienaar van Sint Nicolaas tenminste zien eer hij mij op de nek springt.

Vertalingen

Afrikaansspring
Albaneeskërcej
Catalaanssaltar
Deensspringe
Duitsspringen
Engelsjump; leap; spring; bound
Engels (Oudengels)hleapan; springan
Esperantosalti
Faeröersleypa
Finshypätä
Franssauter
Hongaarsugrik
Italiaanssaltare
Latijnsalire
Maleislompat; melompat
Papiamentsbula; salta
Poolsskakać
Portugeespular; saltar
Roemeenssări
Russischпрыгать; прыгнуть
Saterfriesspringe
Schots-Gaelischleum
Spaanssaltar
Sranandyompo; maska
Tsjechischnaskočit; skákat; skočit; vyskočit
Westerlauwers Friesspringe
Zweedshoppa; skutta