Informatie over het woord afronden (Nederlands → Esperanto: rondigi)

Uitspraak/ˈɑfrɔndə(n)/
Afbrekingaf·ron·den
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) rond af(ik) rondde af
(jij) rondt af(jij) rondde af
(hij) rondt af(hij) rondde af
(wij) ronden af(wij) rondden af
(gij) rondt af(gij) ronddet af
(zij) ronden af(zij) rondden af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afronde(dat ik) afrondde
(dat jij) afronde(dat jij) afrondde
(dat hij) afronde(dat hij) afrondde
(dat wij) afronden(dat wij) afrondden
(dat gij) afrondet(dat gij) afronddet
(dat zij) afronden(dat zij) afrondden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
rond afrondt af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afrondend, afrondende(hebben) afgerond

Voorbeelden van gebruik

Het naar boven afronden van belminuten mag niet.

Vertalingen

Afrikaansafrond
Deensafrunde
Engelsround; round off
Esperantorondigi
Fransarrondir
Hongaarskerekít
Italiaansarrotondare
Spaansredondear
Westerlauwers Friesôfrûnje
Zweedsrunda