Informatie over het woord beknorren (Nederlands → Esperanto: riproĉi)

Uitspraak/bəˈknɔrə(n)/
Afbrekingbe·knor·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) beknor(ik) beknorde
(jij) beknort(jij) beknorde
(hij) beknort(hij) beknorde
(wij) beknorren(wij) beknorden
(gij) beknort(gij) beknordet
(zij) beknorren(zij) beknorden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) beknorre(dat ik) beknorde
(dat jij) beknorre(dat jij) beknorde
(dat hij) beknorre(dat hij) beknorde
(dat wij) beknorren(dat wij) beknorden
(dat gij) beknorret(dat gij) beknordet
(dat zij) beknorren(dat zij) beknorden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
beknorbeknort
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
beknorrend, beknorrende(hebben) beknord

Vertalingen

Afrikaansbeknor; berispe; verwyt
Catalaansrenyar; reposar
Deensbebrejde
Duitsschelten; vorwerfen; Vorwürfe machen
Engelsscold; berate
Esperantoriproĉi
Finsmoittia
Fransgronder; reprendre; réprimander; reprocher; sermonner
IJslandsátelja
Italiaansriprendere
Noorsbebreide
Papiamentsreprochá
Portugeescensurar; incriminar; repreender
Saterfriesfoarsmiete; rachje; scheelde; skeelde
Spaanscensurar; regañar; reprobar; reprochar; vituperar
Thaisกล่าวโทษ
Turksazarlamak
Westerlauwers Friesferwite
Zweedsförebrå; förevita