Information about the word blijven (Dutch → Esperanto: resti)

Pronunciation/ˈblɛɪ̯və(n)/
Hyphenationblij·ven
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) blijf(ik) bleef
(jij) blijft(jij) bleef
(hij) blijft(hij) bleef
(wij) blijven(wij) bleven
(gij) blijft(gij) bleeft
(zij) blijven(zij) bleven
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) blijve(dat ik) bleve
(dat jij) blijve(dat jij) bleve
(dat hij) blijve(dat hij) bleve
(dat wij) blijven(dat wij) bleven
(dat gij) blijvet(dat gij) blevet
(dat zij) blijven(dat zij) bleven
Imperative mood
Singular/PluralPlural
blijfblijft
Participles
Present participlePast participle
blijvend, blijvende(zijn) gebleven

Usage samples

Dan blijf ik liever hier.
Hoelang was je van plan te blijven?
Hun veiligheid was ter plaatse nog het grootst en dus bleven zij.
Je kunt beter bij mij blijven.
De anderen blijven op de basis tot wij terug zijn.
We gaan veel plezier maken maar denk eraan: blijf bij de groep!

Translations

Afrikaansaanbly; bly
Catalanquedar; restar; romandre
Danishforblive
Englishkeep; remain; rest; stay; tarry
English (Old English)belifan; ætsittan
Esperantoresti
Faeroesesteðga; vera eftir; verða verandi
Finnishjäädä
Frenchrester
Germanbleiben; ruhen; sich aufhalten; übrigbleiben
Italianrestare; rimanere; stare
Latinmanere
Luxemburgishbleiwen
Malaymenginap
Norwegianbli
Papiamentokeda
Polishzostawać
Portugueseficar; permanecer; restar
Romanianrămâne; sta
Russianоставаться; остаться
Saterland Frisianblieuwe; uurblieuwe
Scottish Gaelicfan; fuirich
Spanishpermanecer; quedarse
Srananfika; tan
Swahili‐kaa
Swedishförbli; förbliva; stanna
Thaiเหลือ; อยู่; อาศัย; อาศัยอยู่
Welsharos
West Frisianbliuwe