Informatie over het woord treffen (Nederlands → Esperanto: renkonti)

Uitspraak/ˈtrɛfə(n)/
Afbrekingtref·fen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) tref(ik) trof
(jij) treft(jij) trof
(hij) treft(hij) trof
(wij) treffen(wij) troffen
(gij) treft(gij) troft
(zij) treffen(zij) troffen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) treffe(dat ik) troffe
(dat jij) treffe(dat jij) troffe
(dat hij) treffe(dat hij) troffe
(dat wij) treffen(dat wij) troffen
(dat gij) treffet(dat gij) troffet
(dat zij) treffen(dat zij) troffen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
treffend, treffende(hebben) getroffen

Voorbeelden van gebruik

Daar zul je een man treffen die je een bundel goud en een paard zal geven.

Vertalingen

Afrikaansontmoet; sien; raakloop
Catalaanstrobar
Deensmøde; træffe
Duitsantreffen; begegnen
Engelsencounter; meet
Engels (Oudengels)gemetan; metan
Esperantorenkonti
Faeröershitta; møta
Finstavata
Fransrencontrer
Hongaarstalálkozik
IJslandshitta; mæta
Italiaansincontrare
Maleisjumpa
Noorsmøte; treffe
Papiamentskontra; topa
Poolsspotykać
Portugeesachar; encontrar
Russischвстречать
Saterfriesanträffe; beloangje; mäite; träffe
Spaanschocar contra; dar con; encontrar; encontrarse con; topar
Srananmiti; tuka
Thaisพบ
Turksbuluşmak
Westerlauwers Friesoantreffe; treffe
Zweedsmöta