Informatie over het woord kruipen (Nederlands → Esperanto: rampi)

Uitspraak/ˈkrœʏ̯pə(n)/
Afbrekingkrui·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) kruip(ik) kroop
(jij) kruipt(jij) kroop
(hij) kruipt(hij) kroop
(wij) kruipen(wij) kropen
(gij) kruipt(gij) kroopt
(zij) kruipen(zij) kropen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) kruipe(dat ik) krope
(dat jij) kruipe(dat jij) krope
(dat hij) kruipe(dat hij) krope
(dat wij) kruipen(dat wij) kropen
(dat gij) kruipet(dat gij) kropet
(dat zij) kruipen(dat zij) kropen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
kruipkruipt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
kruipend, kruipende(hebben/zijn) gekropen

Voorbeelden van gebruik

Ik kroop naar achteren.
Daar kropen kille nevels om het slot en een dunne maansikkel wierp een bleek licht over het landschap.
Maar alvorens erin te kruipen, bukte hij zich om een blik onder de legerstede te werpen, zoals de laatste tijd zijn gewoonte was geworden.

Vertalingen

Afrikaanskruip; seil
Catalaansarrossegar‐se; enfilar‐se; reptar
Deenskrybe
Duitskriechen
Engelscrawl; creep
Engels (Oudengels)creopan
Esperantorampi
Faeröersgrulva; krúpa; skríða
Fransramper
Latijnrepere; serpere
Papiamentsgatia
Portugeesarrojar‐se; rastejar; serpear
Saterfrieskjoope
Spaansarrastrarse; reptar
Tagaloggumapang
Tsjechischplazit se
Westerlauwers Frieskrûpe
Zweedskrypa; kräla