Informatie over het woord schoonmaken (Nederlands → Esperanto: purigi)

Uitspraak/ˈsxomakə(n)/
Afbrekingschoon·ma·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) maak schoon(ik) maakte schoon
(jij) maakt schoon(jij) maakte schoon
(hij) maakt schoon(hij) maakte schoon
(wij) maken schoon(wij) maakten schoon
(gij) maakt schoon(gij) maaktet schoon
(zij) maken schoon(zij) maakten schoon
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) schoonmake(dat ik) schoonmaakte
(dat jij) schoonmake(dat jij) schoonmaakte
(dat hij) schoonmake(dat hij) schoonmaakte
(dat wij) schoonmaken(dat wij) schoonmaakten
(dat gij) schoonmaket(dat gij) schoonmaaktet
(dat zij) schoonmaken(dat zij) schoonmaakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
maak schoonmaakt schoon
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schoonmakend, schoonmakende(hebben) schoongemaakt

Voorbeelden van gebruik

Maak het dek schoon!
We zullen de schelpen die we schoongemaakt hebben, op het strand opstapelen en later een schoener huren om ze te halen.

Vertalingen

Afrikaansskoonmaak
Deensgøre rent; rense
Duitsreinigen; sauber machen; säubern
Engelsclean
Engels (Oudengels)clænsian
Esperantopurigi
Faeröersgera reint; reinsa
Fransaffinier; purifier
Hawaiaanshoʻomaʻemaʻe
Hongaarstisztít
IJslandshreinsa
Italiaanspulire
Latijnpurgare
Maleismembersihkan
Papiamentslimpia; purifiká
Poolsczyścić
Portugeesassear; limpar; purificar
Roemeenscurăța; face curat; purifica
Spaansadelgazar; limpiar; purificar
Sranankrin
Thaisทำความสะอาด
Turksayıklamak
Westerlauwers Friessuverje; feie
Zweedsluttra; rena; rengöra; rensa; sovra