Informatie over het woord betreuren (Nederlands → Esperanto: priplori)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/bəˈtrørə(n)/
Afbrekingbe·treu·ren

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) betreur(ik) betreurde
(jij) betreurt(jij) betreurde
(hij) betreurt(hij) betreurde
(wij) betreuren(wij) betreurden
(gij) betreurt(gij) betreurdet
(zij) betreuren(zij) betreurden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) betreure(dat ik) betreurde
(dat jij) betreure(dat jij) betreurde
(dat hij) betreure(dat hij) betreurde
(dat wij) betreuren(dat wij) betreurden
(dat gij) betreuret(dat gij) betreurdet
(dat zij) betreuren(dat zij) betreurden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
betreurbetreurt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
betreurend, betreurende(hebben) betreurd

Vertalingen

Afrikaansbejammer
Deensbeklage
Duitsbejammern; betrauern
Engelsbewail
Esperantopriplori
Fransregretter
Poolsopłakać
Saterfriesbejammerje; betruurje
Spaansdeplorar; llorar