Informatie over het woord absolve (Engels → Esperanto: absolvi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/əbˈzɒlv/, /æbˈzɒlv/, /əbˈsɒlv/, /æbˈsɒlv/
Afbrekingab·solve
Shaw‐alfabet𐑨𐑚𐑕𐑷𐑤𐑝

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) absolve(I) absolved
(thou) absolvest(thou) absolvedst
(he) absolves, absolveth(he) absolved
(we) absolve(we) absolved
(you) absolve(you) absolved
(they) absolve(they) absolved
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) absolve (I) absolved
(thou) absolve(thou) absolved
(he) absolve(he) absolved
(we) absolve(we) absolved
(you) absolve(you) absolved
(they) absolve(they) absolved
Gebiedende wijs
absolve
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
absolvingabsolved

Vertalingen

Afrikaanskwytskeld; loslaat; vergewe; vrylaat; vryspreek
Catalaansabsoldre
Duitsfreisprechen; lossprechen
Esperantoabsolvi; malkondamni
Faeröersfyrigeva
Fransabsoudre; acquitter
Grieksαθωώνω
IJslandsfyrirgefa; sýkna; veita aflausn
Latijnabsolvere
Nederlandsde absolutie geven; vrijspreken
Portugeesabsolver
Saterfriesabsolvierje; äntbiende; fräispreeke; loosspreeke
Spaansabsolver