Informatie over het woord nemen (Nederlands → Esperanto: preni)

Uitspraak/ˈnemə(n)/
Afbrekingne·men
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) neem(ik) nam
(jij) neemt(jij) nam
(hij) neemt(hij) nam
(wij) nemen(wij) namen
(gij) neemt(gij) naamt
(zij) nemen(zij) namen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) neme(dat ik) name
(dat jij) neme(dat jij) name
(dat hij) neme(dat hij) name
(dat wij) nemen(dat wij) namen
(dat gij) nemet(dat gij) namet
(dat zij) nemen(dat zij) namen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
neemneemt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
nemend, nemende(hebben) genomen

Voorbeelden van gebruik

Dadelijk greep hij ernaar en nam gulzig een paar grote slokken.
Neemt u hem maar.
Ik denk dat ik dat vanavond neem.

Vertalingen

Afrikaanshaal; neem; oppik; vat
Catalaansagafar; prendre
Deensgribe; tage; tage op
Duitsfassen; nehmen
Engelsget; take
Esperantopreni
Faeröerstaka
Finsottaa
Fransprendre
Grieks (Oudgrieks)αἱρέω
Hongaarsvesz
Italiaansacchiappare; prendere
Latijncapere
Maleisambil
Noorsta
Papiamentstuma
Poolsbrać; wziąć
Portugeespegar; tirar; tomar
Roemeenslua
Russischбрать; взять
Saterfriesfoatje; nieme; pakje
Schots-Gaelischgabh; thoir
Spaanscoger; asir; tomar
Srananteki
Thaisเอา
Tsjechischbráti
Turksalmak
Westerlauwers Friesnimme
Zweedsfatta; ta; taga