Informatie over het woord naroepen (Nederlands → Esperanto: postkrii)

Uitspraak/ˈnarupə(n)/
Afbrekingna·roe·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) roep na(ik) riep na
(jij) roept na(jij) riep na
(hij) roept na(hij) riep na
(wij) roepen na(wij) riepen na
(gij) roept na(gij) riept na
(zij) roepen na(zij) riepen na
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) naroepe(dat ik) nariepe
(dat jij) naroepe(dat jij) nariepe
(dat hij) naroepe(dat hij) nariepe
(dat wij) naroepen(dat wij) nariepen
(dat gij) naroepet(dat gij) nariepet
(dat zij) naroepen(dat zij) nariepen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
roep naroept na
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
naroepend, naroepende(hebben) nageroepen

Vertalingen

Esperantopostkrii