Informatie over het woord brengen (Nederlands → Esperanto: porti)

Uitspraak/ˈbrɛŋə(n)/
Afbrekingbren·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) breng(ik) bracht
(jij) brengt(jij) bracht
(hij) brengt(hij) bracht
(wij) brengen(wij) brachten
(gij) brengt(gij) bracht
(zij) brengen(zij) brachten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) brenge(dat ik) brachte
(dat jij) brenge(dat jij) brachte
(dat hij) brenge(dat hij) brachte
(dat wij) brengen(dat wij) brachten
(dat gij) brenget(dat gij) brachtet
(dat zij) brengen(dat zij) brachten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
brengbrengt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
brengend, brengende(hebben) gebracht

Voorbeelden van gebruik

Jongmens, breng ons nog wat wijn!
Na enkele weken bereikte Fortunatus de stad Calais, waar hij een schip vond dat hem naar Londen bracht.

Vertalingen

Afrikaansdra; neem; bring
Catalaansdur; portar
Deensbære
Duitstragen
Engelscarry
Engels (Oudengels)beran; ferian
Esperantoporti
Faeröersbera
Finskantaa
Fransporter
Hongaarsvisz
Italiaansportare
Latijnportare; tulere; vehere
Maleisangkat … mengangkat
Noorsbære
Poolsnieść; nosić
Portugeescarregar; levar
Roemeensduce
Saterfriesdreege
Spaansllevar
Sranantyari
Thaisสวม; ใส่; แบก; พา…ไป
Tsjechischnést; nosit
Turksnakletmek; taşımak
Westerlauwers Friesbringe; drage
Zweedsbära