Informatie over het woord tokkelen (Nederlands → Esperanto: pluki)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) tokkel(ik) tokkelde
(jij) tokkelt(jij) tokkelde
(hij) tokkelt(hij) tokkelde
(wij) tokkelen(wij) tokkelden
(gij) tokkelt(gij) tokkeldet
(zij) tokkelen(zij) tokkelden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) tokkele(dat ik) tokkelde
(dat jij) tokkele(dat jij) tokkelde
(dat hij) tokkele(dat hij) tokkelde
(dat wij) tokkelen(dat wij) tokkelden
(dat gij) tokkelet(dat gij) tokkeldet
(dat zij) tokkelen(dat zij) tokkelden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
tokkeltokkelt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
tokkelend, tokkelende(hebben) getokkeld

Vertalingen

Deensplukke
Duitspflücken
Engelspluck
Esperantopluki
Faeröershenta; royta
Franscueillir; rammasser
Latijncarpere
Spaanscoger; pellizcar; pizcar; pulsar; puntear
Zweedsplocka