Information about the word stijgen (Dutch → Esperanto: pliiĝi)

Pronunciation/ˈstɛɪ̯ɣə(n)/
Hyphenationstij·gen
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) stijg(ik) steeg
(jij) stijgt(jij) steeg
(hij) stijgt(hij) steeg
(wij) stijgen(wij) stegen
(gij) stijgt(gij) steegt
(zij) stijgen(zij) stegen
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) stijge(dat ik) stege
(dat jij) stijge(dat jij) stege
(dat hij) stijge(dat hij) stege
(dat wij) stijgen(dat wij) stegen
(dat gij) stijget(dat gij) steget
(dat zij) stijgen(dat zij) stegen
Imperative mood
Singular/PluralPlural
stijgstijgt
Participles
Present participlePast participle
stijgend, stijgende(zijn) gestegen

Usage samples

De volgende dag steeg Bonds opwinding.
Ook smolt het ijs in de bergen sneller dan normaal als gevolg van de hoge temperaturen, die afgelopen week tot bijna 30 graden stegen.

Translations

Afrikaansgroei
Englishincrease; rise
Esperantopliiĝi
Frenchaugmenter; redoubler