Informatie over het woord aangroeien (Nederlands → Esperanto: pligrandiĝi)

Uitspraak/ˈaŋɣrujə(n)/
Afbrekingaan·groei·en
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) groei aan(ik) groeide aan
(jij) groeit aan(jij) groeide aan
(hij) groeit aan(hij) groeide aan
(wij) groeien aan(wij) groeiden aan
(gij) groeit aan(gij) groeidet aan
(zij) groeien aan(zij) groeiden aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aangroeie(dat ik) aangroeide
(dat jij) aangroeie(dat jij) aangroeide
(dat hij) aangroeie(dat hij) aangroeide
(dat wij) aangroeien(dat wij) aangroeiden
(dat gij) aangroeiet(dat gij) aangroeidet
(dat zij) aangroeien(dat zij) aangroeiden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
groei aangroeit aan
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aangroeiend, aangroeiende(zijn) aangegroeid

Vertalingen

Afrikaansgroei
Duitsgrößer werden; sich vergrößern
Engelsaugment; increase; grow
Esperantopligrandiĝi
Fransaccroître; augmenter; grossir; s’accoître
Hongaarsnő; nővekszik
Latijnaccrescere
Poolszwiększyć się
Spaansaumentar