Informatie over het woord stijgen (Nederlands → Esperanto: plialtiĝi)

Uitspraak/ˈstɛɪ̯ɣə(n)/
Afbrekingstij·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) stijg(ik) steeg
(jij) stijgt(jij) steeg
(hij) stijgt(hij) steeg
(wij) stijgen(wij) stegen
(gij) stijgt(gij) steegt
(zij) stijgen(zij) stegen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) stijge(dat ik) stege
(dat jij) stijge(dat jij) stege
(dat hij) stijge(dat hij) stege
(dat wij) stijgen(dat wij) stegen
(dat gij) stijget(dat gij) steget
(dat zij) stijgen(dat zij) stegen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
stijgstijgt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
stijgend, stijgende(zijn) gestegen

Voorbeelden van gebruik

Nog steeds steeg het water.
Men beginne met twee‐ of driemaal daags 0,5 mg, en stijge tot een voldoende vermindering van de afscheiding is verkregen.
Maar moest ik stijgen of dalen?

Vertalingen

Afrikaansstyg
Duitshöher werden; sich erhöhen; steigen
Engelsadvance; ascend; go up; increase
Esperantoplialtiĝi
Portugeesaltear; elevar‐se; subir