Informatie over het woord oplopen (Nederlands → Esperanto: plialtiĝi)

Uitspraak/ˈɔplopə(n)/
Afbrekingop·lo·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(hij) loopt op(hij) liep op
(zij) lopen op(zij) liepen op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat hij) oplope(dat hij) opliepe
(dat zij) oplopen(dat zij) opliepen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
oplopend, oplopende(zijn) opgelopenj

Voorbeelden van gebruik

Het dodental door een reeks verwoestende tornado’s in het middenwesten en zuiden van de Verenigde Staten is opgelopen tot 39.
De kosten van de operatie zijn inmiddels opgelopen tot honderd miljoen euro, zei Le Drian.
De waarde van de lira is de laatste tijd flink gezakt, met als gevolg dat de al fikse inflatie in het land nog verder dreigt op te lopen.

Vertalingen

Afrikaansstyg
Duitshöher werden; sich erhöhen; steigen
Engelsadvance
Esperantoplialtiĝi
Portugeesaltear; elevar‐se; subir