Informatie over het woord schlagen (Duits → Esperanto: frapi)

Uitspraak/ˈʃlaːɡən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) schlage(ich) schlug
(du) schlägst(du) schlugst
(er) schlägt(er) schlug
(wir) schlagen(wir) schlugen
(ihr) schlagt(ihr) schlugt
(sie) schlagen(sie) schlugen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) schlage(ich) schlüge
(du) schlagest(du) schlügest
(er) schlage(er) schlüge
(wir) schlagen(wir) schlügen
(ihr) schlaget(ihr) schlüget
(sie) schlagen(sie) schlügen
Gebiedende wijs
(du) schlage
(ihr) schlagt
schlagen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schlagend(haben) geschlagen

Vertalingen

Afrikaansklap; klop
Catalaanscolpir; percudir; picar; repicar; sorprendre; trucar; tustar; xocar
Deensbanke
Engelshit; knock; strike
Esperantofrapi
Faeröersbanka
Finsiskeä
Fransfrapper; heurter
Italiaansbussare; colpire; picchiare
Luxemburgsopfalen
Nederlandsklappen; kloppen; opvallen; slaan
Poolspukać; uderzać
Portugeesbater; golpear; percutir
Saterfriesklopje; rammelje; slo
Spaanschocar; golpear; percutir; sorprender
Zweedsknacka