Informatie over het woord stampen (Nederlands → Esperanto: pisti)

Uitspraak/ˈstɑmpə(n)/
Afbrekingstam·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) stamp(ik) stampte
(jij) stampt(jij) stampte
(hij) stampt(hij) stampte
(wij) stampen(wij) stampten
(gij) stampt(gij) stamptet
(zij) stampen(zij) stampten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) stampe(dat ik) stampte
(dat jij) stampe(dat jij) stampte
(dat hij) stampe(dat hij) stampte
(dat wij) stampen(dat wij) stampten
(dat gij) stampet(dat gij) stamptet
(dat zij) stampen(dat zij) stampten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
stampstampt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
stampend, stampende(hebben) gestampt

Vertalingen

Duitskleinstoßen; zermalmen; zerstampfen; zerstoßen
Engelscrush; pound
Esperantopisti
Faeröersmjølva
Finssurvoa
Fransbroyer; piler
Portugeesbritar; calcar; pisar; socar
Saterfrieskuutstampje; kuutsteete
Spaansmachacar; trituar