Informatie over het woord opprikken (Nederlands → Esperanto: pingli)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɔprɪkə(n)/
Afbrekingop·prik·ken

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) prik op(ik) prikte op
(jij) prikt op(jij) prikte op
(hij) prikt op(hij) prikte op
(wij) prikken op(wij) prikten op
(gij) prikt op(gij) priktet op
(zij) prikken op(zij) prikten op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opprikke(dat ik) opprikte
(dat jij) opprikke(dat jij) opprikte
(dat hij) opprikke(dat hij) opprikte
(dat wij) opprikken(dat wij) opprikten
(dat gij) opprikket(dat gij) oppriktet
(dat zij) opprikken(dat zij) opprikten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
prik opprikt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opprikkend, opprikkende(hebben) opgeprikt

Vertalingen

Esperantopingli