Informatie over het woord erklären (Duits → Esperanto: interpreti)

Uitspraak/ɛrˈklɛːrən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) erkläre(ich) erklärte
(du) erklärst(du) erklärtest
(er) erklärt(er) erklärte
(wir) erklären(wir) erklärten
(ihr) erklärt(ihr) erklärtet
(sie) erklären(sie) erklärten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) erkläre(ich) erklärte
(du) erklärest(du) erklärtest
(er) erkläre(er) erklärte
(wir) erklären(wir) erklärten
(ihr) erkläret(ihr) erklärtet
(sie) erklären(sie) erklärten
Gebiedende wijs
(du) erkläre
(ihr) erklärt
erklären Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
erklärend(haben) erklärt

Vertalingen

Afrikaansvertolk; interpreteer
Catalaansinterpretar
Engelsconstrue; interpret
Esperantointerpreti
Faeröerstolka; tulka
Finstulkita
Fransinterpréter
IJslandstúlka; þýða
Italiaansinterpretare
Nederlandsduiden; interpreteren; opvatten; uitleggen; verklaren; vertolken
Papiamentsinterpretá
Portugeesentender; interpretar; traduzir
Roemeensinterpreta
Saterfriesdolmätskje; interpretierje; tjuude; uutlääse
Spaansinterpretar
Zweedstolka