Information about the word ophangen (Dutch → Esperanto: pendumi)

Pronunciation/ˈɔpɦɑŋə(n)/
Hyphenationop·han·gen
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) hang op(ik) hing op
(jij) hangt op(jij) hing op
(hij) hangt op(hij) hing op
(wij) hangen op(wij) hingen op
(gij) hangt op(gij) hingt op
(zij) hangen op(zij) hingen op
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) ophange(dat ik) ophinge
(dat jij) ophange(dat jij) ophinge
(dat hij) ophange(dat hij) ophinge
(dat wij) ophangen(dat wij) ophingen
(dat gij) ophanget(dat gij) ophinget
(dat zij) ophangen(dat zij) ophingen
Imperative mood
Singular/PluralPlural
hang ophangt op
Participles
Present participlePast participle
ophangend, ophangende(hebben) opgehangen

Usage samples

Waarschijnlijk verdienen jullie het ook om te worden opgehangen.
Ik zal het bewijzen door u aan de eerste boom daar op te hangen als u weigert het tegen mij op te nemen.
Als zij mij morgen komen halen om mij op te hangen, wat te vrezen valt, zal ik de kracht ervan zelfs op de beul proberen.
Weet u, ik vrees dat ’t haar ijskoud had gelaten als die aardige, domme meneer Spenlow was opgehangen.

Translations

Afrikaanshang; ophang
Englishhang; swing
Esperantopendumi
Portugueseenforcar
Spanishahorcar; colgar
West Frisianhingje