Informatie over het woord opjagen (Nederlands → Esperanto: peli)

Uitspraak/ˈɔpjaɣə(n)/
Afbrekingop·ja·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) jaag op(ik) jaagde op, joeg op
(jij) jaagt op(jij) jaagde op, joeg op
(hij) jaagt op(hij) jaagde op, joeg op
(wij) jagen op(wij) jaagden op, joegen op
(gij) jaagt op(gij) jaagdet op, joegt op
(zij) jagen op(zij) jaagden op, joegen op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opjage(dat ik) opjaagde, opjoege
(dat jij) opjage(dat jij) opjaagde, opjoege
(dat hij) opjage(dat hij) opjaagde, opjoege
(dat wij) opjagen(dat wij) opjaagden, opjoegen
(dat gij) opjaget(dat gij) opjaagdet, opjoeget
(dat zij) opjagen(dat zij) opjaagden, opjoegen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
jaag opjaagt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opjagend, opjagende(hebben) opgejaagd

Vertalingen

Afrikaansaandryf; aandrywe; dryf
Catalaansacuitar; arriar; conduir; impel·lir; empaitar; foragitar
Duitsanfeuern; jagen; treiben; vor sich hertreiben
Engelschase; drive; drive on; impel; propel; pursue; shoo
Engels (Oudengels)adræfan; dræfan
Esperantopeli
Faeröersreka
Finskarkottaa
Fransamener à; faire avancer; pourchasser; poursuivre; pousser
Hongaarsűz
Portugeestanger; tocar
Russischгнать
Saterfriesanfjuurje; drieuwe; ferballerje; foar sik häärdrieuwe; joagje; Moud; ounbaale; ounreegje
Spaansacuciar; arrear; impeler
Westerlauwers Friesdriuwe; oandriuwe
Zweedsdriva; fösa