Informatie over het woord spreken (Nederlands → Esperanto: paroli)

Uitspraak/ˈsprekə(n)/
Afbrekingspre·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) spreek(ik) sprak
(jij) spreekt(jij) sprak
(hij) spreekt(hij) sprak
(wij) spreken(wij) spraken
(gij) spreekt(gij) spraakt
(zij) spreken(zij) spraken
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) spreke(dat ik) sprake
(dat jij) spreke(dat jij) sprake
(dat hij) spreke(dat hij) sprake
(dat wij) spreken(dat wij) spraken
(dat gij) spreket(dat gij) spraket
(dat zij) spreken(dat zij) spraken
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
spreekspreekt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
sprekend, sprekende(hebben) gesproken

Voorbeelden van gebruik

Enkele weken geleden hebben we elkaar hierover ook al gesproken.
„We hebben gasten, Joost”, sprak hij.
De burgemeester wil je spreken.
Jullie spreekt het beschaafder.
Hij sprak Duits en hij had het steeds maar over een treurspel dat hij wilde schrijven.
Op een winterse dag met Regin over zijn toekomst sprekend, vroeg Sigurd: „Welke daden worden van mij verwacht?”
Zo sprekende stapte hij op de schouder van zijn geschokte vriend en draaide de knop om zodat de deur piepend op zijn hengsels openzwaaide.
Hun opgewonden gebaren spraken zeer duidelijke taal.
Van sommige talen weet men alleen nog dat ze ooit gesproken werden en meer niet.
„Ge gaat te ver”, sprak de markies.
Maar ik wil hem spreken, of hij dat nu wenst of niet.
Ge spreekt als iemand die Fangorn goed kent.

Vertalingen

Afrikaanspraat; spreek; gesels
Albaneesflas
Catalaansparlar
Deenssnakke; tale
Duitsreden; sprechen
Engelsspeak; talk
Engels (Oudengels)acweþan; cweþan; specan; sprecan
Esperantoparoli
Faeröerstala; tosa
Finspuhua
Fransparler
Hongaarsbeszél
IJslandsspjalla; tala
Italiaansparlare
Latijnloquere; loqui; orare
Luxemburgsschwätzen
Maleisbicara
Noorsprate; snake; tale
Papiamentspapia
Poolsmówić
Portugeesfalar
Roemeensdiscuta; vorbi
Russischговорить; поговорить
Saterfriesbaale; spreeke
Schots-Gaelischbruidhinn; labhair
Spaanshablar
Sranantaki; taygi
Swahili‐sema
Thaisพูด
Tsjechischhovořit; mluvit; promluvit
Westerlauwers Friesprate; sprekke
Zweedstala