Informatie over het woord uitkeren (Nederlands → Esperanto: pagi)

Uitspraak/ˈœʏ̯tkerə(n)/
Afbrekinguit·ke·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) keer uit(ik) keerde uit
(jij) keert uit(jij) keerde uit
(hij) keert uit(hij) keerde uit
(wij) keren uit(wij) keerden uit
(gij) keert uit(gij) keerdet uit
(zij) keren uit(zij) keerden uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitkere(dat ik) uitkeerde
(dat jij) uitkere(dat jij) uitkeerde
(dat hij) uitkere(dat hij) uitkeerde
(dat wij) uitkeren(dat wij) uitkeerden
(dat gij) uitkeret(dat gij) uitkeerdet
(dat zij) uitkeren(dat zij) uitkeerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
keer uitkeert uit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitkerend, uitkerende(hebben) uitgekeerd

Voorbeelden van gebruik

Ik heb tien goudstukken bij me die koning Casmir me heeft uitgekeerd.

Vertalingen

Afrikaansbetaal
Catalaanspagar
Deensbetale
Duitsabzahlen; auszahlen; bezahlen; einzahlen; entrichten; zahlen
Engelspay
Esperantopagi
Faeröersgjalda; rinda
Finsmaksaa
Franspayer
Hongaarsfizet
Italiaanspagare
Maleisbayar … membayar
Noorsbetale
Papiamentspaga
Poolspłacić
Portugeescustear; pagar
Roemeensplăti
Russischзаплатить; платить
Saterfriesäntgjuchte; betoalje; uutbetoalje
Spaanspagar
Srananpay
Thaisจ่าย; จ่ายเงิน; เสี่ย
Tsjechischplatit; zaplatit
Westerlauwers Friesbetelje
Zweedsbetala; erlägga