Information über das Wort uitbetalen (Niederländisch → Esperanto: pagi)

Aussprache/ˈœʏ̯dbətalə(n)/
Trennunguit·be·ta·len
WortartVerb

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) betaal uit(ik) betaalde uit
(jij) betaalt uit(jij) betaalde uit
(hij) betaalt uit(hij) betaalde uit
(wij) betalen uit(wij) betaalden uit
(gij) betaalt uit(gij) betaaldet uit
(zij) betalen uit(zij) betaalden uit
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) uitbetale(dat ik) uitbetaalde
(dat jij) uitbetale(dat jij) uitbetaalde
(dat hij) uitbetale(dat hij) uitbetaalde
(dat wij) uitbetalen(dat wij) uitbetaalden
(dat gij) uitbetalet(dat gij) uitbetaaldet
(dat zij) uitbetalen(dat zij) uitbetaalden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
betaal uitbetaalt uit
Partizipien
Erstes PartizipZweites Partizip
uitbetalend, uitbetalende(hebben) uitbetaald

Gebrauchsbeispiele

„O,” zei de man die het eerst gesproken had, „ze vinden vast wel een smoesje om ons dat geld niet uit te hoeven betalen, ook al nemen we de schurk gevangen.
En het betaalt niet uit, want dit kostuum is niets waard.

Übersetzungen

Afrikaansbetaal
Dänischbetale
Deutschabzahlen; auszahlen; bezahlen; einzahlen; entrichten; zahlen
Englischpay
Esperantopagi
Färöerischgjalda; rinda
Finnischmaksaa
Französischpayer
Italienischpagare
Katalanischpagar
Malaiischbayar … membayar
Norwegischbetale
Papiamentopaga
Polnischpłacić
Portugiesischcustear; pagar
Rumänischplăti
Russischзаплатить; платить
Saterfriesischäntgjuchte; betoalje; uutbetoalje
Schwedischbetala; erlägga
Spanischpagar
Srananpay
Thaiจ่าย; จ่ายเงิน; เสี่ย
Tschechischplatit; zaplatit
Ungarischfizet
Westfriesischbetelje