Information über das Wort betalen (Niederländisch → Esperanto: pagi)

Aussprache/bəˈtalə(n)/
Trennungbe·ta·len
WortartVerb

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) betaal(ik) betaalde
(jij) betaalt(jij) betaalde
(hij) betaalt(hij) betaalde
(wij) betalen(wij) betaalden
(gij) betaalt(gij) betaaldet
(zij) betalen(zij) betaalden
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) betale(dat ik) betaalde
(dat jij) betale(dat jij) betaalde
(dat hij) betale(dat hij) betaalde
(dat wij) betalen(dat wij) betaalden
(dat gij) betalet(dat gij) betaaldet
(dat zij) betalen(dat zij) betaalden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
betaalbetaalt
Partizipien
Erstes PartizipZweites Partizip
betalend, betalende(hebben) betaald

Gebrauchsbeispiele

De vis wordt duur betaald.
Zal ik hem direct betalen, of moet dat na afloop gebeuren?
Mensen zijn daarom niet snel bereid om ervoor te betalen, denkt hij.
Ik heb ze betaald om uit deze ellende re raken!
Het zou u verbazen als u wist wat ik heb moeten betalen.
Heeft u inmiddels betaald?
Matje betaalde het bier en stond vijf minuten laten in de regen op straat.

Übersetzungen

Afrikaansbetaal
Dänischbetale
Deutschabzahlen; auszahlen; bezahlen; einzahlen; entrichten; zahlen
Englischpay
Esperantopagi
Färöerischgjalda; rinda
Finnischmaksaa
Französischpayer
Italienischpagare
Katalanischpagar
Malaiischbayar … membayar
Norwegischbetale
Papiamentopaga
Polnischpłacić
Portugiesischcustear; pagar
Rumänischplăti
Russischзаплатить; платить
Saterfriesischäntgjuchte; betoalje; uutbetoalje
Schwedischbetala; erlägga
Spanischpagar
Srananpay
Thaiจ่าย; จ่ายเงิน; เสี่ย
Tschechischplatit; zaplatit
Ungarischfizet
Westfriesischbetelje