Informo pri la vorto neerschieten (nederlanda → esperanto: paffaligi)

Prononco/ˈnersxitə(n)/
Dividoneer·schie·ten
Vortspecoverbo

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) schiet neer(ik) schoot neer
(jij) schiet neer(jij) schoot neer
(hij) schiet neer(hij) schoot neer
(wij) schieten neer(wij) schoten neer
(gij) schiet neer(gij) schoot neer
(zij) schieten neer(zij) schoten neer
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) neerschiete(dat ik) neerschote
(dat jij) neerschiete(dat jij) neerschote
(dat hij) neerschiete(dat hij) neerschote
(dat wij) neerschieten(dat wij) neerschoten
(dat gij) neerschietet(dat gij) neerschotet
(dat zij) neerschieten(dat zij) neerschoten
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
schiet neerschiet neer
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
neerschietend, neerschietende(hebben) neergeschoten

Uzekzemploj

Schiet hem neer, jongens!
En hij had drie van hen neergeschoten.
En wie dacht je dat ze wilden gaan neerschieten met die pistolen?
Hij greep naar zijn pistool en schoot de man neer.

Tradukoj

esperantopaffaligi