Information about the word houden (Dutch → Esperanto: okazigi)

Pronunciation/ˈɦɑʊ̯də(n)/, /ˈɦɑʊ̯ʋə(n)/
Hyphenationhou·den
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) hou, houd(ik) hield
(jij) houdt(jij) hield
(hij) houdt(hij) hield
(wij) houden(wij) hielden
(gij) houdt(gij) hieldt
(zij) houden(zij) hielden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) houde(dat ik) hielde
(dat jij) houde(dat jij) hielde
(dat hij) houde(dat hij) hielde
(dat wij) houden(dat wij) hielden
(dat gij) houdet(dat gij) hieldet
(dat zij) houden(dat zij) hielden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
hou, houdhoudt
Participles
Present participlePast participle
houdend, houdende(hebben) gehouden

Translations

Afrikaansbelê; beleg
Czechvyvolat; způsobit
Englishhold
Esperantookazigi
Finnishaiheuttaa
Frenchcauser; procurer; situer
Germanhervorrufen
Portuguesecausar; ocasionar; provocar
Saterland Frisianferuurseekje
Spanishdar lugar a; ocasionar
West Frisianhâlde