Informatie over het woord think (Engels → Esperanto: supozi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/θɪŋk/
Afbrekingthink
Shaw‐alfabet𐑔𐑦𐑙𐑒

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) think(I) thought
(thou) thinkest(thou) thoughtst, thoughtest
(he) thinks, thinketh(he) thought
(we) think(we) thought
(you) think(you) thought
(they) think(they) thought
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) think (I) thought
(thou) think(thou) thought
(he) think(he) thought
(we) think(we) thought
(you) think(you) thought
(they) think(they) thought
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
thinkingthought

Voorbeelden van gebruik

I thought that I was alone in the garden.

Vertalingen

Afrikaansmeen; vermoed; veronderstel; onderstél
Catalaanssuposar
Deensantage; tro
Duitsannehmen; vermuten; voraussetzen; schätzen
Esperantosupozi
Faeröershalda
Finsolettaa
Franssupposer
IJslandshalda
Italiaanssupporre
Latijnputare
Nederlandsmenen
Papiamentsideá
Poolsprzypuszczać
Portugeespensar
Saterfriesfermoudje; foaruutsätte; gisje; ounnieme
Spaanssuponer
Tsjechischdomnívat se; předpokládat
Turkssanmak
Westerlauwers Friesergje; fermoedzje
Zweedsanta