Information about the word vastknopen (Dutch → Esperanto: nodligi)

Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) knoop vast(ik) knoopte vast
(jij) knoopt vast(jij) knoopte vast
(hij) knoopt vast(hij) knoopte vast
(wij) knopen vast(wij) knoopten vast
(gij) knoopt vast(gij) knooptet vast
(zij) knopen vast(zij) knoopten vast
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) vastknope(dat ik) vastknoopte
(dat jij) vastknope(dat jij) vastknoopte
(dat hij) vastknope(dat hij) vastknoopte
(dat wij) vastknopen(dat wij) vastknoopten
(dat gij) vastknopet(dat gij) vastknooptet
(dat zij) vastknopen(dat zij) vastknoopten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
knoop vastknoopt vast
Participles
Present participlePast participle
vastknopend, vastknopende(hebben) vastgeknoopt

Translations

Englishtie up
Esperantonodligi