Informatie over het woord knopen (Nederlands → Esperanto: nodligi)

Uitspraak/ˈknopə(n)/
Afbrekingkno·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) knoop(ik) knoopte
(jij) knoopt(jij) knoopte
(hij) knoopt(hij) knoopte
(wij) knopen(wij) knoopten
(gij) knoopt(gij) knooptet
(zij) knopen(zij) knoopten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) knope(dat ik) knoopte
(dat jij) knope(dat jij) knoopte
(dat hij) knope(dat hij) knoopte
(dat wij) knopen(dat wij) knoopten
(dat gij) knopet(dat gij) knooptet
(dat zij) knopen(dat zij) knoopten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
knoopknoopt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
knopend, knopende(hebben) geknoopt

Voorbeelden van gebruik

In zijn ene hand hield de monnik zijn zware partizaan, in de andere een touw, dat om de nek van de onfortuinlijke Isaac van York was geknoopt.

Vertalingen

Engelstie up
Esperantonodligi