Informatie over het woord tun (Duits → Esperanto: fari)

Uitspraak/tuːn/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) tue(ich) tat
(du) tust(du) tatest, tatst
(er) tut(er) tat
(wir) tun(wir) taten
(ihr) tut(ihr) tatet
(sie) tun(sie) taten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) tue(ich) täte
(du) tuest(du) tätest
(er) tue(er) täte
(wir) tuen(wir) täten
(ihr) tuet(ihr) tätet
(sie) tuen(sie) täten
Gebiedende wijs
(du) tue
(ihr) tut
tuen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
tund(haben) getan

Voorbeelden van gebruik

Aber warum taten Sie dies?
Es hatte weiter nichts zu tun, als auf den nächsten zu warten.
Aber ich tat es nicht.
Wenn sie es nur nicht getan hätten!
Wenn du es tätest, brauchtest du die Geister weder zu hassen noch dich vor ihnen zu fürchten.

Vertalingen

Afrikaansbedryf; bedrywe; begaan; doen; maak; pleeg; verrig; vervaardig
Catalaansfer
Deensaflægge; gøre; lave
Engelsact; do
Engels (Oudengels)macian; don
Esperantofari
Faeröersgera
Finstehdä
Fransconstruire; fabriquer; faire; opérer; poser
Hawaiaanshana
Hongaarsesinál; tesz
IJslandsgera
Italiaanscommettere; fare
Jiddischמאַכן
Latijnfacere
Luxemburgsmaachen; doen
Maleisbuat; membuat
Nederlandsaanmaken; bedrijven; begaan; afleggen; doen; maken; plegen; stellen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren; verrichten; vervaardigen; uithalen
Noorsgjøre
Papiamentshasi
Poolsczynić; robić
Portugeescometer; confeccionar; executar; fazer; formar
Roemeensface
Russischделать; сделать
Saterfriesdwo; fabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Schots-Gaelischdèan
Spaanshacer
Sranandu; meki
Swahili‐fanya
Thaisต่อ; ทำ
Tsjechischčinit; dělat; konat; učinit; udělat; vykonat
Turksetmek; yapmak
Westerlauwers Friesdwaan; dwaen; oanmeitsje; meitsje
Zweedsgöra