Informatie over het woord zich roeren (Nederlands → Esperanto: movi sin)

Woordsoortwederkerend werkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) roer mij(ik) roerde mij
(jij) roert je(jij) roerde je
(hij) roert zich(hij) roerde zich
(wij) roeren ons(wij) roerden ons
(gij) roert u(gij) roerdet u
(zij) roeren zich(zij) roerden zich
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) mij roere(dat ik) mij roerde
(dat jij) je roere(dat jij) je roerde
(dat hij) zich roere(dat hij) zich roerde
(dat wij) ons roeren(dat wij) ons roerden
(dat gij) u roeret(dat gij) u roerdet
(dat zij) zich roeren(dat zij) zich roerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
roer jeroert je
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
zich roerend, zich roerende(hebben) zich geroerd

Voorbeelden van gebruik

Hij had natuurlijk verwacht in een simpel vertrekje terecht te komen waarin hij zich nauwelijks zou kunnen roeren.