Information about the word wijzen (Dutch → Esperanto: montri)

Part of speechverb
Pronunciation/ˈʋɛɪ̯zə(n)/
Hyphenationwij·zen

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) wijs(ik) wees
(jij) wijst(jij) wees
(hij) wijst(hij) wees
(wij) wijzen(wij) wezen
(gij) wijst(gij) weest
(zij) wijzen(zij) wezen
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) wijze(dat ik) weze
(dat jij) wijze(dat jij) weze
(dat hij) wijze(dat hij) weze
(dat wij) wijzen(dat wij) wezen
(dat gij) wijzet(dat gij) wezet
(dat zij) wijzen(dat zij) wezen
Imperative mood
Singular/PluralPlural
wijswijst
Participles
Present participlePast participle
wijzend, wijzende(hebben) gewezen

Translations

Afrikaansaandui; toon; vertoon; wys
Catalanassenyalar; ensenyar; indicar; mostrar
Danishvise
Englishindicate; point out; show
English (Old English)iewan; ætiewan
Esperantomontri
Faeroesesýna; vísa
Finnishnäyttää
Frenchdésigner; indiquer; montrer
Germanangeben; weisen; anweisen; hinweisen; zeigen
Italianmostrare
Latinmonstrare
Papiamentomunstra; mustra
Polishpokazać
Portugueseapontar; assinalar; mostrar
Saterland Frisiananreeke; anwiese; waiwiese; wiese
Scottish Gaelicfeuch
Spanishenseñar; indicar; mostrar; señalar
Sranansori
Swahili‐toa
Swedishuppvisa
Thaiชี้; ชี้ให้เห็น
West Frisianoantsjutte; oanwize