Informatie over het woord opvangen (Nederlands → Esperanto: moderigi)

Uitspraak/ˈɔpfɑŋə(n)/
Afbrekingop·van·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) vang op(ik) ving op
(jij) vangt op(jij) ving op
(hij) vangt op(hij) ving op
(wij) vangen op(wij) vingen op
(gij) vangt op(gij) vingt op
(zij) vangen op(zij) vingen op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opvange(dat ik) opvinge
(dat jij) opvange(dat jij) opvinge
(dat hij) opvange(dat hij) opvinge
(dat wij) opvangen(dat wij) opvingen
(dat gij) opvanget(dat gij) opvinget
(dat zij) opvangen(dat zij) opvingen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
vang opvangt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opvangend, opvangende(hebben) opgevangen

Vertalingen

Afrikaansmatig
Duitsermäßigen
Engelsabate; alleviate; moderate
Esperantomoderigi
Fransralentir; retenir
Portugeesabrandar; moderar; temperar
Saterfriesmäitigje; milderje