Informatie over het woord matigen (Nederlands → Esperanto: moderigi)

Uitspraak/ˈmatəɣə(n)/
Afbrekingma·ti·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) matig(ik) matigde
(jij) matigt(jij) matigde
(hij) matigt(hij) matigde
(wij) matigen(wij) matigden
(gij) matigt(gij) matigdet
(zij) matigen(zij) matigden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) matige(dat ik) matigde
(dat jij) matige(dat jij) matigde
(dat hij) matige(dat hij) matigde
(dat wij) matigen(dat wij) matigden
(dat gij) matiget(dat gij) matigdet
(dat zij) matigen(dat zij) matigden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
matigmatigt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
matigend, matigende(hebben) gematigd

Vertalingen

Afrikaansmatig
Duitsermäßigen
Engelsmoderate
Esperantomoderigi
Fransralentir; retenir
Portugeesabrandar; moderar; temperar
Saterfriesmäitigje; milderje