Informatie over het woord dreigen (Nederlands → Esperanto: minaci)

Uitspraak/ˈdrɛɪ̯ɣə(n)/
Afbrekingdrei·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) dreig(ik) dreigde
(jij) dreigt(jij) dreigde
(hij) dreigt(hij) dreigde
(wij) dreigen(wij) dreigden
(gij) dreigt(gij) dreigdet
(zij) dreigen(zij) dreigden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) dreige(dat ik) dreigde
(dat jij) dreige(dat jij) dreigde
(dat hij) dreige(dat hij) dreigde
(dat wij) dreigen(dat wij) dreigden
(dat gij) dreiget(dat gij) dreigdet
(dat zij) dreigen(dat zij) dreigden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
dreigdreigt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
dreigend, dreigende(hebben) gedreigd

Voorbeelden van gebruik

Er dreigt een ramp, vlak voor de kust.
Nee, u behoeft niet te dreigen!
Hij verwachtte dat de wachter nu weer met zijn hellebaard zou dreigen, maar tot zijn verrassing liet deze het akelige wapen zakken.
Nu dreigt hij het de graaf te zullen vertellen als ik niet precies doe wat hij wil.
Hierop ontstond een tumult dat een ogenblik dreigde in een handgemeen te ontaarden, zodat de voorzitter de vergadering schorste.
Maar hij dreigt ieder die hem nadert met een mes.
Naast de rivier verhief zich de dreigende massa van Kasteel Doldil.

Vertalingen

Afrikaansbedreig; dreig
Catalaansamenaçar
Deenstrue
Duitsbedrohen; bevorstehen; dräuhen; drohen
Engelsmenace; threaten
Esperantominaci
Faeröershótta
Finsuhata
Fransgronder; menacer
Italiaansminacciare
Papiamentsamenasá; menasá
Portugeesameaçar; intimidar
Roemeensamenința
Russischгрозить
Saterfriesbefoarstounde
Spaansamenazar
Thaisข่มขู่; ขู่
Tsjechischhrozit; vyhrožovat
Westerlauwers Friesbedriigje; drige
Zweedshota