Informatie over het woord wassen (Nederlands → Esperanto: miksi)

Uitspraak/ˈʋɑsə(n)/
Afbrekingwas·sen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) was(ik) waste
(jij) wast(jij) waste
(hij) wast(hij) waste
(wij) wassen(wij) wasten
(gij) wast(gij) wastet
(zij) wassen(zij) wasten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) wasse(dat ik) waste
(dat jij) wasse(dat jij) waste
(dat hij) wasse(dat hij) waste
(dat wij) wassen(dat wij) wasten
(dat gij) wasset(dat gij) wastet
(dat zij) wassen(dat zij) wasten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
waswast
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
wassend, wassende(hebben) gewassen

Voorbeelden van gebruik

„Vrouwen tegen mannen”, zei mevrouw Lorrimer terwijl ze haar plaats innam en geroutineerd de kaarten begon te wassen.

Vertalingen

Afrikaansmeng; vermeng
Catalaansbarrejar; mesclar
Deensblande
Duitsmengen; mischen
Engelsblend; mingle; mix; shuffle
Esperantomiksi
Faeröersblanda
Finssekoittaa
Fransmélanger; mêler; retourner
Hongaarskever
Latijnmiscere
Luxemburgsvermëschen
Maleismencampuri
Noorsblande
Papiamentsmeks; meskla
Portugeesbaralhar; mesclar; mexer; misturar
Saterfriesmiskje; moange
Spaansmezclar
Srananmoksi
Thaisเจือ
Tsjechischmíchat; mísit; namíchat; smíchat; smísit
Westerlauwers Friesminge
Zweedsblanda; sammanblanda