Informatie over het woord meten (Nederlands → Esperanto: mezuri)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈmetə(n)/
Afbrekingme·ten

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) meet(ik) mat
(jij) meet(jij) mat
(hij) meet(hij) mat
(wij) meten(wij) maten
(gij) meet(gij) mat
(zij) meten(zij) maten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) mete(dat ik) mate
(dat jij) mete(dat jij) mate
(dat hij) mete(dat hij) mate
(dat wij) meten(dat wij) maten
(dat gij) metet(dat gij) matet
(dat zij) meten(dat zij) maten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
meetmeet
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
metend, metende(hebben) gemeten

Voorbeelden van gebruik

De diepte van de oceaan kan ook worden gemeten door de druk te meten.
De brandweer mat koolmonoxide in de woning, maar kon aanvankelijk de oorzaak niet vinden.
„Het zal net groot genoeg zijn”, zei de metende heer tot zichzelf.

Vertalingen

Afrikaansmeet; opmeet
Catalaansmesurar
Deensmåle
Duitsabmessen; aufmessen; messen
Engelsmeasure
Engels (Oudengels)metan
Esperantomezuri
Faeröersmála; máta
Finsmitata
Fransmesurer
Italiaansmisurare
Latijnmetiri
Papiamentsmidi
Portugeesbalizar; medir
Saterfriesapmeete; meete; oumeete
Spaansmedir; tomar la medida
Westerlauwers Friesôfmjitte