Informatie over het woord zetten (Nederlands → Esperanto: meti)

Uitspraak/ˈzɛtə(n)/
Afbrekingzet·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) zet(ik) zette
(jij) zet(jij) zette
(hij) zet(hij) zette
(wij) zetten(wij) zetten
(gij) zet(gij) zettet
(zij) zetten(zij) zetten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) zette(dat ik) zette
(dat jij) zette(dat jij) zette
(dat hij) zette(dat hij) zette
(dat wij) zetten(dat wij) zetten
(dat gij) zettet(dat gij) zettet
(dat zij) zetten(dat zij) zetten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
zetzet
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
zettend, zettende(hebben) gezet

Voorbeelden van gebruik

Toen zette hij de witte raaf op zijn schouder en trok de wijde wereld in.
Zet ze elk jaar op een ander plekje om roest (een schimmelziekte) te voorkomen.
Ze naderde met een bord soep, dat ze voorzichtig op zijn knieën zette.

Vertalingen

Afrikaansplaas; sit; steek; stel
Catalaansficar; col·locar; posar
Deenslægge; sætte; stille
Duitssetzen; stecken; stellen
Engelsplace; put; set
Engels (Oudengels)adon; asettan; settan
Esperantometi
Faeröerskoyra; leggja; seta
Finspanna
Fransappliquer; mettre; poser
Hongaarstalálkozik
IJslandsleggja; setja
Italiaansmettere; ponere
Latijnponere
Luxemburgssetzen
Noorslegge; sette
Papiamentsbuta; pone
Poolskłaść
Portugeescolocar; meter; pôr
Roemeensașeza; depune; plasa; pune
Russischпоставить; ставить
Saterfriesdeellääse; sätte; staale; stikje
Schots-Gaelischcuir
Spaanscolocar; meter; poner
Srananpoti; seti
Swahili‐weka; ‐tia
Thaisวาง; ไว้
Tsjechischdát; klást; položit; postavit
Westerlauwers Frieslizze; pleatse; stelle; dwaan
Zweedslägga; ställa; sätta