Information about the word aankleden (Dutch → Esperanto: mebli)

Pronunciation/ˈaŋkledə(n)/
Hyphenationaan·kle·den
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) kleed aan(ik) kleedde aan
(jij) kleedt aan(jij) kleedde aan
(hij) kleedt aan(hij) kleedde aan
(wij) kleden aan(wij) kleedden aan
(gij) kleedt aan(gij) kleeddet aan
(zij) kleden aan(zij) kleedden aan
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) aanklede(dat ik) aankleedde
(dat jij) aanklede(dat jij) aankleedde
(dat hij) aanklede(dat hij) aankleedde
(dat wij) aankleden(dat wij) aankleedden
(dat gij) aankledet(dat gij) aankleeddet
(dat zij) aankleden(dat zij) aankleedden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
kleed aankleedt aan
Participles
Present participlePast participle
aankledend, aankledende(hebben) aangekleed

Translations

Englishfurnish
Esperantomebli
Frenchmeubler
Germanmöblieren
Portuguesemobiliar
Saterland Frisianmöblierje
Swedishmöblera