Informatie over het woord verbloemen (Nederlands → Esperanto: maski)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) verbloem(ik) verbloemde
(jij) verbloemt(jij) verbloemde
(hij) verbloemt(hij) verbloemde
(wij) verbloemen(wij) verbloemden
(gij) verbloemt(gij) verbloemdet
(zij) verbloemen(zij) verbloemden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) verbloeme(dat ik) verbloemde
(dat jij) verbloeme(dat jij) verbloemde
(dat hij) verbloeme(dat hij) verbloemde
(dat wij) verbloemen(dat wij) verbloemden
(dat gij) verbloemet(dat gij) verbloemdet
(dat zij) verbloemen(dat zij) verbloemden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
verbloemverbloemt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
verbloemend, verbloemende(hebben) verbloemd

Vertalingen

Afrikaansbemantel; maskeer
Deensmaskere
Engelsmask
Esperantomaski
Portugeesmascarar
Spaanspaliar