Informatie over het woord bikken (Nederlands → Esperanto: manĝi)

Uitspraak/ˈbɪkə(n)/
Afbrekingbik·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bik(ik) bikte
(jij) bikt(jij) bikte
(hij) bikt(hij) bikte
(wij) bikken(wij) bikten
(gij) bikt(gij) biktet
(zij) bikken(zij) bikten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) bikke(dat ik) bikte
(dat jij) bikke(dat jij) bikte
(dat hij) bikke(dat hij) bikte
(dat wij) bikken(dat wij) bikten
(dat gij) bikket(dat gij) biktet
(dat zij) bikken(dat zij) bikten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bikbikt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
bikkend, bikkende(hebben) gebikt

Vertalingen

Afrikaanseet; vreet
Albaneesha
Berbersecc (ⴻⵛⵛ)
Catalaansmenjar
Deensæde; spise
Duitsessen; fressen; speisen
Engelseat
Engels (Oudengels)etan
Esperantomanĝi
Faeröerseta
Finssyödä
Fransdéjeuner; manger
Hawaiaanshoʻopiha; ʻai; ʻai iho
Hongaarseszik
IJslandséta
Italiaansmangiare
Jiddischעסן; אַכלען
Latijnedere
Luxemburgsiessen
Maleismakan; memakan
Noorsspise; ete
Papiamentskome
Poolsjeść
Portugeescomer
Roemeensmânca
Russischесть; обедать; пообедать; съесть; кушать
Saterfriesfreete; genäite; iete; spiesje
Schots-Gaelischith
Spaanscomer
Sranannyan
Swahili‐la
Thaisกินอาหาร; รับประทาน; กิน; กินข้าว; ทาน; ทานข้าว
Tsjechischjíst
Turksyemek
Westerlauwers Friesite; frette
Zweedsspisa; äta