Information über das Wort schrokken (Niederländisch → Esperanto: manĝegi)

WortartVerb

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) schrok(ik) schrokte
(jij) schrokt(jij) schrokte
(hij) schrokt(hij) schrokte
(wij) schrokken(wij) schrokten
(gij) schrokt(gij) schroktet
(zij) schrokken(zij) schrokten
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) schrokke(dat ik) schrokte
(dat jij) schrokke(dat jij) schrokte
(dat hij) schrokke(dat hij) schrokte
(dat wij) schrokken(dat wij) schrokten
(dat gij) schrokket(dat gij) schroktet
(dat zij) schrokken(dat zij) schrokten
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
schrokschrokt
Partizipien
Erstes PartizipZweites Partizip
schrokkend, schrokkende(hebben) geschrokt

Übersetzungen

Deutschfressen; schlingen; verschlingen
Englischwolf
Esperantomanĝegi
Französischbâfrer