Informatie over het woord minachten (Nederlands → Esperanto: malŝati)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈmɪnɑxtə(n)/
Afbrekingmin·ach·ten

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) minacht(ik) minachtte
(jij) minacht(jij) minachtte
(hij) minacht(hij) minachtte
(wij) minachten(wij) minachtten
(gij) minacht(gij) minachttet
(zij) minachten(zij) minachtten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) minachte(dat ik) minachtte
(dat jij) minachte(dat jij) minachtte
(dat hij) minachte(dat hij) minachtte
(dat wij) minachten(dat wij) minachtten
(dat gij) minachtet(dat gij) minachttet
(dat zij) minachten(dat zij) minachtten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
minachtminacht
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
minachtend, minachtende(hebben) geminacht

Vertalingen

Deensikke at kunne lide
Engelsdislike
Esperantomalŝati
Fransdédaigner; détester
IJslandshafa andstyggð á
Noorsmislike
Poolsnie lubieć; pogardzać
Portugeesaborrecer; depreciar; desconsiderar; desdenhar; desprezar
Spaansaborrecer; despreciar
Zweedstycka illa om