Informatie over het woord missen (Nederlands → Esperanto: maltrafi)

Uitspraak/ˈmɪsə(n)/
Afbrekingmis·sen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) mis(ik) miste
(jij) mist(jij) miste
(hij) mist(hij) miste
(wij) missen(wij) misten
(gij) mist(gij) mistet
(zij) missen(zij) misten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) misse(dat ik) miste
(dat jij) misse(dat jij) miste
(dat hij) misse(dat hij) miste
(dat wij) missen(dat wij) misten
(dat gij) misset(dat gij) mistet
(dat zij) missen(dat zij) misten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
mismist
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
missend, missende(hebben) gemist

Voorbeelden van gebruik

De best gerichte bommen die van aanzienlijke hoogte worden afgeworpen, missen vaak hun doel.
De tweede indiaan schoot en miste.
Nu moest hij zich wel haasten anders miste hij de trein.
Er klonken schoten, maar alle kogels misten".

Vertalingen

Afrikaansmis; misloop
Duitsverfehlen
Engelsmiss
Esperantomaltrafi
Fransmanquer; rater
Portugeeserrar o golpe; falhar
Saterfriesferfailje; misje
Spaansperder
Tsjechischchybit; minout; netrefit; zameškat
Zweedsmissa