Information about the word bekorten (Dutch → Esperanto: mallongigi)

Part of speechverb
Pronunciation/bəˈkɔrtə(n)/
Hyphenationbe·kor·ten

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) bekort(ik) bekortte
(jij) bekort(jij) bekortte
(hij) bekort(hij) bekortte
(wij) bekorten(wij) bekortten
(gij) bekort(gij) bekorttet
(zij) bekorten(zij) bekortten
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) bekorte(dat ik) bekortte
(dat jij) bekorte(dat jij) bekortte
(dat hij) bekorte(dat hij) bekortte
(dat wij) bekorten(dat wij) bekortten
(dat gij) bekortet(dat gij) bekorttet
(dat zij) bekorten(dat zij) bekortten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
bekortbekort
Participles
Present participlePast participle
bekortend, bekortende(hebben) bekort

Translations

Afrikaansbekort; verkort
Czechomezit; zkracovat; zkrátit; zmenšit
Danishforkorte
Englishabbreviate; abridge; curtail; shorten
Esperantomallongigi
Frenchabréger; raccourcir
Germanabkürzen; verkürzen; kürzen
Greekσυντομεύω
Latinabbreviare; curtare
Malaymenyingkat; singkat
Papiamentoabreviá
Polishskrócić
Saterland Frisianferkuutje; oukuutje
Spanishabreviar; acortar