Informatie over het woord afkorten (Nederlands → Esperanto: mallongigi)

Uitspraak/ˈɑfkɔrtə(n)/
Afbrekingaf·kor·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) kort af(ik) kortte af
(jij) kort af(jij) kortte af
(hij) kort af(hij) kortte af
(wij) korten af(wij) kortten af
(gij) kort af(gij) korttet af
(zij) korten af(zij) kortten af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afkorte(dat ik) afkortte
(dat jij) afkorte(dat jij) afkortte
(dat hij) afkorte(dat hij) afkortte
(dat wij) afkorten(dat wij) afkortten
(dat gij) afkortet(dat gij) afkorttet
(dat zij) afkorten(dat zij) afkortten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
kort afkort af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afkortend, afkortende(hebben) afgekort

Vertalingen

Afrikaansbekort; verkort
Deensforkorte
Duitsabkürzen; verkürzen; kürzen
Engelsabbreviate; shorten
Esperantomallongigi; kurtigi
Fransabréger; raccourcir
Grieksσυντομεύω
Latijnabbreviare; curtare
Maleismenyingkat; singkat
Papiamentsabreviá
Poolsskrócić
Saterfriesferkuutje; oukuutje
Spaansabreviar; acortar
Tsjechischomezit; zkracovat; zkrátit; zmenšit